‘De Roos’: een kwart eeuw bibliofiele boeken
Kurt Löb

Binnen de doelstellingen van Stichting ‘De Roos’ ontstond na de tweede wereldoorlog een milieu van uitgeven, dat wezenlijk verschilt van met dit der commerciële boekenproduktie. Bij de uiteenlopende teksten welke vanaf 1946 konden verschijnen, zijn er inderdaad zeer exclusieve, maar ook manuscripten die in populaire edities eerder waren gedrukt. Het is hierbij verheugend, dat behalve van auteurs uit de wereldliteratuur ook ruimschoots werken van Nederlanders werden uitgegeven. Hier vinden wij eveneens vertegenwoordigers van onze hedendaagse letterkunde. Voorop stond nog steeds de hantering van strenge literaire kwaliteitsnormen, die immers nooit aan een tijd gebonden zijn.
     Bij het nauwkeuriger bestuderen en vergelijken van de zeer heterogene boeken, waarvan jaarlijks drie of vier titels verschenen, zijn zeker enkele algemene conclusies te trekken. Hierbij wordt in de eerste plaats duidelijk, dat de vormgevers het enigszins statische begrip ‘bibliofiele uitgave’ geleidelijk anders zijn gaan interpreteren. Zowel bij de geïllustreerde, alsook bij de uitsluitend typografisch uitgevoerde boeken. Met zou globaal van een ontwikkeling kunnen spreken, die zich van het beslotene naar het meer toegankelijke beweegt. Dit blijkt o.m. uit de groeiende dynamiek bij de vormgeving.
     Het schoonheidsideaal der kunstenaars, dat bij sommige vroegere uitgaven nog wel eens bijna vooropgezet lijkt, maakt steeds meer plaats voor een mobielere typografische en illustratieve benadering, welke primair wordt geïnspireerd door het klimaat van de tekst. Dat hier eveneens aan het gezonde experiment een grotere plaats werd gegeven, is verheugend. In het kader van deze duidelijke accentverplaatsing komt kunstenaars als W.J. Rozendaal, Jan Bons en Mart Kempers de verdienste toe, reeds in de beginjaren geïllustreerde boeken te hebben ontworpen, die door hun opvallend informele opzet nieuwe wegen voor verdere ontwikkelingen hebben gebaand. 
     De evolutie welke dankzij het volstrekt ondogmatische beleid binnen ‘De Roos’ mogelijk was, blijkt ook uit een ruimere toepassing van de fotomechanische reproduktiemethoden bij getekende illustraties. Hierbij wordt behalve van het lijncliché (voor boekdruk), de laatste tijd eveneens van de vermenigvuldiging in offset gebruik gemaakt. In zijn artikel Het illustreren van ‘literaire’ teksten schreef Leeflang hierover o.m.: ‘… dat ik naast gebruik van originele grafiek alle goede reproduktietechnieken geschikt acht voor boekillustratie, mits op de juiste wijze toegepast, is wel duidelijk’. Dit staat wel in scherpe tegenstelling tot de iets vroegere, streng puristische denkbeelden over boekillustratie; zoals o.a. van J.F. van Royen, een uiterst gezaghebbend man op het gebied van de toegepaste kunst gedurende de jaren voor de tweede wereldoorlog.
     Door zijn in 1930 herdrukte opstel uit 1919, De illustratie van het boek, toont de auteur bijvoorbeeld nog duidelijk zijn sterke voorkeur voor de houtsnede, bij de toepassing van originele grafiek als illustratiemedium voor boeken. Over gebruik van cliché’s wordt in dit verband geheel niet gesproken. Met deze, maar ook door andere eveneens op de Engelse leest geschoeide en thans wat curieus aandoende grondbeginselen, trachtte Van Royen geforceerd de idealen van een William Morris en de befaamde private-presses in ons land te verbreiden. Volgens Prof. Dr. G.W. Ovink werd mede hierdoor de ontwikkeling van het vooroorlogse  Nederlandse geïllustreerde boek enigszins belemmerd. De reeds eerder genoemde toenemende dynamiek in de vormgeving van ‘De Roos’-uitgaven komen wij ook bij de banden of omslagen tegen, welke minder traditioneel, kleurrijker en verrassender worden. Hier is echter een te nadrukkelijk wervend karakter vermeden, zodat zij zich in dit opzicht over het algemeen van de covers der handelsedities onderscheiden. Toch is er naar mijn mening sprake van wederzijdse beïnvloeding tussen deze uitgaven en de boeken van de Stichting. Hebben de laatsten [sic] na 1945 voor een deel zeker tot een groeiende kwaliteit bij de Nederlandse boekenproduktie kunnen bijdragen, de niet zelden aantrekkelijke alledaagsheid van het ‘gewone’ boek uit latere jaren, heeft blijkbaar ook weer de vormgeving bij ‘De Roos’ niet onberoerd gelaten. Hierbij komt nog dat – mogelijk meer dan voorheen – vaak dezelfde kunstenaars op beide terreinen aktief werkzaam zijn. Deze gezonde wisselwerking heeft er ongetwijfeld toe geleid, dat de kloof tussen de twee kampen steeds minder groot lijkt te worden. Ons bibliofiele boek van vandaag, komt de lezer/kijker meer tegemoet en ontwikkelt zich in stijgende mate tot een medium, dat als het ware tot gebruik uitnodigt.
     Over het algemeen worden de gekozen formaten kleiner en beter hanteerbaar, terwijl de illustraties zich steeds meer buiten het strenge corset van de zetspiegel wagen. Ook deze wordt thans levendiger gehanteerd, o.a. door het veelvuldiger gebruik van onuitgevulde regels, de zgn. vrije- [sic] of Engelse regelval, die eveneens voor dit boekje werd toegepast. Ons bibliofiele boek is democratischer van uiterlijk geworden.
Nog steeds gelden de beginselen der Stichting, waardoor de vormgevers binnen dit kader – als in een soort ‘grafische proefkeuken’ – met alle beschikbare middelen kreatief en technisch naar uitzonderlijke prestaties kunnen streven. Prestaties, welke op het terrein der handelsuitgaven door de daar aanwezige reële beperkingen meestal niet op deze wijze worden geleverd. Maar de ontwerpers doen dit nu met een steeds grotere speelsheid, luchtiger, vrijblijvender en verrassender dan voorheen. Op een manier, waarin men ook de atmosfeer van onze tijd herkent.
     Het is een van de verdiensten van het bestuur van ‘De Roos’ dat bij het verstrekken der opdrachten in beginsel slechts twee belangrijke criteria worden gehanteerd. Namelijk, de objektieve beoordeling van het kunnen van de kunstenaars en hun eventuele geschiktheid om de gekozen teksten vorm te gaan geven.
     Zonder vooringenomenheid en zonder dat hem het eindprodukt reeds als een soort ideaalvorm voor ogen stond, werd Leeflang voor velen de bijna ideale opdrachtgever. Door zijn affiniteit met en intuïtie voor de grafische kunsten, is hij met steeds groeiende kennis van zaken tot een van die zeldzame en toch zo onmisbare intermediaire figuren rond ons vak geworden. Hierdoor kent hij ook het geheim om met zoveel verschillende kunstenaars tot een vruchtbare dialoog te komen.
     Heeft Leeflang in de betrokkene eenmaal vertrouwen gekregen, dan laat hij deze verder een zo groot mogelijke vrijheid. Door zijn respect voor de opvattingen van de vormgever, hierdoor sterk appellerend aan diens artistieke verantwoordelijkheid, ontstaat bijna altijd een stimulerend werkklimaat, dat reeds herhaaldelijk tot topprestaties heeft geleid.
     Aangezien door de Stichting aan de kunstenaars slechts een bescheiden honorarium kan worden betaald, wordt er ook in dit opzicht een niet onaanzienlijk idealisme van de betrokkene gevraagd. Dit geldt – zij het in veel mindere mate – eveneens voor de uitvoerende grafische bedrijven, welke zo’n order nog nooit tot hun winstgevende objekten hebben kunnen rekenen. Het pleit dus sterk voor de juiste mentaliteit van de vormgevers die – naar mij bekend is – bij een dergelijk projekt altijd bereid bleken het tekstfragment ‘erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral’ uit Bertold Brechts ‘Dreigroschenoper’, in omgekeerde volgorde in praktijk te brengen.
     De illustrerende kunstenaars, welke in de loop der jaren aan de uitgaven van ‘De Roos’ hebben gewerkt, zou men in verband met hun voornaamste vakbeoefening in twee groepen kunnen verdelen. Vertegenwoordigers van een groep komen overwegend uit de sektor der vrije beeldende kunst, terwijl de anderen zowel in de vrije- [sic] als ook op het terrein van de toegepaste kunst overtuigend werkzaam zijn.
     In het eerste geval was hierbij een aantal voortreffelijke, pure grafici en tekenaars beschikbaar zoals o.m. Metten Koornstra, Ru van Rossem, Lou Strik, Jan Mensinga, William D. Kuik en Peter Vos, die hun primair vrij ontwikkeld beeldend vermogen en vakmanschap aan het bibliofiele boek wilden toetsen. De laatste groep, waarvan ik als enkele representanten slechts Mart Kempers, Jan Bons, Peter Doebele en Dick Elffers noem, leverde de nog steeds zeldzame figuren, die de funkties van illustrator én boektypograaf vaak succesvol konden verenigen. Gezien de grote diversiteit van artistieke overtuigingen en grafische mogelijkheden bij de kunstenaars, heeft de thans jubilerende bibliofiele Stichting ‘De Roos’ met haar uitgaven in stijgende mate een zoveel mogelijk gelijkwaardige presentatie van deze stromingen nagestreefd. Mede hierdoor kon zij zich tot een van de inspiratoren der gehele Nederlandse boekkunst ontwikkelen. Een kunstvorm, welke bewezen heeft springlevend te zijn en die nog steeds ‘onderweg’ is.

In: stichting de roos utrecht 1971-1975
 

 


Discussie en discours – uit de catalogi


Tien jaar 'De Roos'
1956

Tegen en voor van bibliofiele uitgaven
1960

'De Roos': een kwart eeuw bibliofiele boeken
1975

Lezen in kapitalen
1975

Driemaal de Roos
1976

Traditie en vernieuwing
1986

Is er nog toekomst voor het gedrukte boek?
1986

Portret van een bibliofiel
1968

Het illustreren van 'literaire teksten'
1986

Een kijkje in de toekomst
1971

Het ontstaan en de geschiedenis van 'De Roos'
1983

Het bibliofiele boek
1983

Twintig jaar jaar op de bres voor het schone boek
1965

Ten geleide
2002

Het amusement in de typografie
2002

Toespraak van Wim Schouten
2002

De kloof
2002